Dwangstoornis OCS/OCD

Marie-Claire

Ik ben nu 39, moeder van twee kinderen en partner van Joris. Ik besef nu dat ik een dwangstoornis heb. Dat is me in het AngstCentrum duidelijk geworden. Ik dacht altijd ‘Ik ben niet normaal, maar kan er niets aan veranderen, ik ben zo!’. Ik werk als secretaresse bij een notaris. Hiervoor heb ik een specifieke opleiding gehad. Graag had ik rechten willen studeren, maar mijn dwang (wat ik toen niet wist) heeft hierin heel wat roet ingegooid. Terugkijkend naar mijn kindertijd, besef ik nu dat ik toen al allerlei subtiele trekjes had. Ik kon thuis niet naar school vertrekken of ik moest heel mijn boekentas zorgvuldig nakijken of alles er wel inzat, en op de juiste plaats, les per les. Ook moest mijn moeder drie maal zeggen: kusje + handbaar voor haar mond. Met nadruk 3 keer, dan pas kon ik vertrekken.

Ik had ook iets met getallen. Vooral onpare getallen. Pare getallen brengen ongeluk. Ondanks mijn dwangtrekjes en rituelen heb ik de lagere en middelbare school afgemaakt. En, zoals al gezegd, wilde ik rechte studeren. Ik had een bundel opgevraagd over de inhoud en vakken aan het Unief over rechten en meteen al schoot ik in de stress: het taalgebruik, vooral de woorden roepen bij mij enorm veel twijfels op. Het maken van een juiste woordkeuze bij het formuleren van wetteksten, was voor mij zo goed als niet haalbaar. En toch wilde ik in die richting een verdere studie doen: notarieel secretariaat. Een heel specifieke opleiding, ook met regels, afspraken en wetteksten. Maar mijn taak was niet deze ‘wetteksten’ te veranderen en/of pleidooien te schrijven. Ik moest ze op papier zetten, de dossiers goed opvolgen, mensen ontvangen en hun al ‘iets’ van informatie geven.

Op zich voelde ik me best wel goed bij deze job. Echter… het overmatig controleren nam enorm veel tijd in beslag. Alles nogmaals overlezen (soms wel 3 keer!). Een mail versturen… deze moest ik 3 keer of 5 keer herlezen. Het klasseren van dossiers duurde zeker een half uur. Controleren en nogmaals controleren.

En dan thuis…ook daar moest alles perfect op de juiste plaats liggen. We hebben een korte periode iemand in de huishouding gehad, vier uurtjes per week. Als ze vertrok ben ik de stoelen, de potjes, de vazen en meer van die dingen, weer terug op de juiste plaats gaan zetten. Recht, draaiend naar links enz. Ook mijn twee kinderen en mijn man betrok ik in mijn noodzakelijk controle. Vroeg voortdurend voor geruststelling. ‘Heb je de deur goed gesloten? Heb je 3 keer gevoeld of het ook écht dicht is? Het opvallende hierbij was dat mijn zoon hierin meeging, zonder commentaar, terwijl mijn dochter boos werd, zich verzette en soms zelfs wegliep. Mijn man probeerde de rust te herstellen. Steeds weer echter, bleven mijn twijfels en onrust de bovenhand houden. Mijn man reageerde wel eens: ‘Jij lijkt wel op je vader!’. 

Inderdaad mijn papa was ook een perfectionist. En moeder had hier ook last van. Mijn zus en broer waren losbollen. Mijn vader ergerde zich dan mateloos dat zij zo rommelig waren en nooit opruimden. Ik vond dat toen ook al heel vervelend. Soms plaagden mijn zus en broer me hiermee. Mijn man wees me er op dat ik er iets aan moest gaan doen. De ruzies, spanningen en voortdurende op- en aanmerkingen van mij, waren voor hen enorm storend. Ergens begreep ik het. Mijn gedrag was ook niet 'normaal'. Maar voor mij was het zoiets als: ‘Zo ben ik nu eenmaal’. In eerste instantie naar de huisarts. Hij kende me al lang. Hij adviseerde me met jullie, het AngstCentrum, contact op te nemen. Samen met mijn man was de eerste dag, het eerste gesprek en een eerste sessie, zeer verhelderend. De behandeling verliep beslist niet van een leien dakje. Uiteindelijk als resultaat: meer rust bij mezelf, in ons gezin en wat betreft de ‘dwang’ kan ik er nu beter mee omgaan. De dwang is er nog (hetgeen me ook duidelijk werd gemaakt), maar hanteerbaar. Duidelijk veel minder controle.

Patrick

Ik ben inmiddels 42 jaar. Woon nog steeds in het ouderlijk huis. Dat ik een dwangneurose heb, is me al duidelijk geworden. Heb er van alles over opgezocht op Google. Ze noemen het verzameldwang of hoarding. Het waren mijn broer en zus die me erop hebben gewezen dat ik een ernstig probleem heb.

Als jong 'manneke' van 12 jaar (zover ik me kan herinneren) had ik dat al. stripboekjes, reclameblaadjes, foldertjes en dat soort ‘papieren’ bewaarde ik al. We hadden achter het huis een ‘stalletje’. Een plek bij uitstek om meerdere dingen te verzamelen. Een verroeste nagel die ik vond stopte ik een glazen pot van HAC. Spulletjes die ik op school vond, nam ik mee naar huis. Ik was zelfs zo vernuftig dat ik ervoor zorgde dat mijn boekentas bijna leeg was (op één of twee schriften na). Ruimte maken, zodat ik van school zoveel als mogelijk kon meenemen. Heb ik het van mijn moeder? Want moeder gooide niets weg. De ijskast zat vol met ‘kletskes’ etenswaren. Wat ze ook bewaarde en steeds bijkocht was ‘zeep’. Ik denk dat ze zoiets had als smetvrees (heb ik later op Google gelezen). Ze waste heel dikwijls haar handen en verplichtte ons ook de handen te wassen: voor het eten, na het eten, of als we speelgoed in handen hadden gehad of thuiskwamen van school: meteen eerst de handen wassen. Zowel mijn broer als mijn zus hadden altijd ruzie met moeder. Voor hun was dat ‘overdreven’.

Ik heb van mijn 17de tot 21ste als bouwvakker bij een bouwbedrijf gewerkt. Metselaar. En inderdaad: als ik thuis kwam had ik een tas vol met allerlei spullen, die weggegooid werden. Ik zou nooit iets ‘gepikt’ hebben, dat niet. Op het werk maakten ze wel eens een grapje: ‘Patrick, ben je een huis aan het bouwen?’ Het bouwbedrijf ging failliet. Ben daarna niet meer aan werk geraakt. Ik had het ook veel te druk met verzamelen, sorteren en weer sorteren om steeds meer plaats te maken. Zoals ik zei, ik woonde nog in het ouderlijk huis. Mijn vader is jong overleden en mijn moeder was een tijd in de psychiatrie opgenomen en dan ook vrij jong overleden. Met mijn broer en zus had ik een regeling kunnen treffen om in huis te blijven wonen. Inmiddels was het ‘stalletje’ een stal geworden. Ik had er een behoorlijk stuk bijgebouwd. Nog meer ruimte. Ik had een klein autootje met aanhangwagen. Zo’n drie maal per week ging ik de snelweg op, zo’n 50 km heen en 50 terug. Bij elk benzinestation (dat zijn er twee) en parkeerplaatsen, stopte ik. En…inderdaad ‘alles’ dat naar mijn idee nog bruikbaar is, nam ik mee: een matras, stukken ijzer en dat soort dingen. Zelfs uit de vuilzakken haalde ik bekertjes, plastic bordjes e.d.m., om thuis afwassen en te bewaren. Het huis heeft 11 kamers. Inmiddels zijn alle kamer ‘propvol’. Ook de stal, propvol. Dagelijks probeer ik nieuwe ruimte te maken. Inmiddels zijn de zolder en (een kleine) kelder ook vol. Mijn broer en zus begonnen te reageren toen enkele buren aangifte hadden gedaan. Want beide zijgevels (het is een vrijstaand huis) én de straatkant liggen vol. Ik weet en was me ervan bewust dat er ‘iets’ moest gebeuren. Uiteindelijk hebben ze me bij het AngstCentrum aangemeld. Toen ik daar hoorde dat er ook een stap in de richting van ‘opruimen’ bij de therapie hoorde, kreeg ik het al Spaans benauwd. Mijn broer en zus hadden dan een ultimatum gesteld: ofwel doe je d’r iets aan ofwel zijn we gedwongen het huis te verkopen. De therapeut had er wel op gewezen: ‘We willen dit samen met Patrick wel aanpakken, echter moet de motivatie van hem komen, anders heeft een behandeling geen enkele zin’. Enerzijds steunde me dat wel: ‘Niet verplicht te worden onder druk’, anderzijds moest ik toegeven dat mijn verzameldwang een ernstige last zou worden. Ook in het achterhoofd mijn moeder, die uiteindelijk moest opgenomen worden.

Om het verhaal kort te houden: al bij al is de behandeling meer meegevallen dan tegengevallen. Zelfs het moment dat ik samen met de therapeut systematisch moest opruimen en sorteren. De therapeut merkte dat ik tijdens elke (opruim) sessie, enorm veel stress had. Hij stelde voor om eventueel met de grove borstel er doorheen te gaan. Gezien er een ‘beetje’ ruimte kwam rond het huis (en aan de straatkant), betekende dat ‘in’ huis nog niets gebeurd was. Dus de ‘grove borstel’. Er werden drie containers besteld. Doel was: het hele huis + de stal leeghalen en meteen de container op. En weet je wat me erbij geholpen heeft die beslissing te nemen? De therapeut maakte duidelijk: ‘Patrick, de dwang om te bewaren zal je nog voor een stuk blijven overhouden. Dat betekent dat we een weg moeten zoeken dat je meer ‘functioneel’ mag bewaren en gelijktijdig het ‘onnuttige’ kunt leren weggooien. En dat kun je leren als het huis volledig is opgeruimd’. Na twee weken was alles opgeruimd. Het huis werd schoongemaakt (broer en zus zijn komen helpen). De therapie werd voortgezet met als doel ‘functioneel bewaren’ en (hiervoor hadden we een sorteerplek voorzien) te sorteren wat moest worden weggegooid. Het ‘weggooien’ was voor mij zeer beangstigend, maar tijdens deze tweede fase in de therapie, begon het woord ‘weggooien’ minder beangstigend te worden. Achteraf werd ook afgesproken dat mijn broer en zus ‘mochten’ komen controleren of het systeem ‘functioneel bewaren’ en ‘weggooi-sorteren’  goed verliep (en nog verloopt). Ik moet toegeven dat ik rustiger werd en dat een ‘zekere orde’ me een goed gevoel gaf. Mijn dank gaat naar AngstCentrum, die heel consequent, maar vooral begripvol, geduldig en vriendelijk bleef.

Kristien

Ik ben 26 en nog single, woon nog thuis en ben werkzoekend (recent mijn opleiding apotheker-assistente afgerond). Ben van aard nogal perfectionistisch. Selectief ordelijk,  hiermee bedoel ik: op mijn kamer is ‘alles’ ordelijk en heeft een vaste plaats. Buiten mijn kamer kan ik zelfs rommelig zijn. Als jong meisje (12 jaar) had ik moeite met veranderingen en was een beetje sociaal geremd. Er werd toen, via het CLB, over autisme gesproken.

Tijdens mijn opleiding merkte ik al, vooral voor een examen (met nogal wat stress) dat ik heel subtiel aan mijn wenkbrauwen, haartjes begon uit te trekken. Geleidelijk aan mijn wimpers en vervolgens mijn hoofdharen. Elk haartje rolde ik dan tussen mijn vingers, hetgeen me een rustig en opgelucht gevoel gaf. Een tijdje later voelde ik ook wat tintelingen, vooral op mijn hoofd, waardoor ik steeds meer mijn hoofdharen uittrok. De (jeukjachtige) tintelingen waren dan even weg. Ook dat gaf dan weer wat rust. Er ontstonden steeds meer kale plekken op mijn hoofd, waarvoor ik me enorm schaamde. Heb dan mijn haar heel kort laten knippen. Ook dat was de oplossing niet omdat het tintelen erger werd en de kale plekken nog meer zichtbaar werden. Dan maar een mutsje. Door de warmte van het mutsje werd het tintelen nog erger. Ik werk er gek van. Ik werd me ervan bewust dat ik hulp nodig had. Heb me toen bij het CGG aangemeld. Na enkele gesprekjes merkte ik dat men er weinig mee kon. En weer werd er gepraat over autisme. Ben dan over autisme gaan lezen, echter kon ik me hierin niet herkennen. Dan Op Google vond ik het AngstCentrum. Voor het eerst (al bij het eerste gesprek) werd ik begrepen. Alleen het feit al dat -na een eerste infosessie- ik beter begreep waar die spanning en onrust vandaan kwam en ik dat ‘ongemakkelijke gevoel’ door het uittrekken van haren kon verminderen, betekende: ik kan er mogelijk iets aan doen. De behandeling was in het begin zeer ingrijpend, maar…de moeite waard.

Suzanne

Toen ik op de middelbare school zat merkte ik voor het eerst, dat ik me steeds meer met andere meisjes ging vergelijken. Ben altijd wel wat perfectionistisch geweest en nu nog. Het begon met mijn neus. Als ik in de spiegel keek zag ik dat ik een ‘kromme neus’ heb. De andere meisje hadden allemaal een mooie rechte neus. Ik dus niet. Voor mij was mijn hele gezicht (gelaat) onvolmaakt. En met onvolmaakt bedoel ik: scheef, waarbij mijn kromme neus als een volgelpik het meest vooruitstak. Ook mijn wenkbrauwen stonden niet gelijkmatig. Ik bedoel ‘waterpas’. Linker wenkbrauw stond iets hoger. Elke dag, vooral ’s morgens had ik veel tijd nodig om me ‘op te maken’. De spiegel was als het ware mijn vriendin en vijand. Enerzijds ‘moest’ ik mijn gezicht ‘afscannen’ op ongelijkmatigheden, anderzijds (als vijand) bezorgde het me steeds veel spanning en onrust. Bij het opmaken met schmink moest ik steeds opnieuw beginnen. Alle zalfjes moeten zo egaal mogelijk zijn. Ik was daar heel dwangmatig mee bezig. Maar die neus bleef storen! Heb dan eens contact opgenomen met een gelaatschirurg. Zij adviseerde me niets aan de neus te laten corrigeren omdat er ‘niets’ te corrigeren was. Ik was boos. Ziet die dat dan niet? Is die blind? Ze adviseerde me een psycholoog te raadplegen. Heel wat verzet borrelde er in mij. Ik was toen 20. Het daaropvolgend jaar was een hel. Ik kwam nauwelijks nog buitenhuis. Vrienden- en familiefeestjes wees ik af. Ik schaamde me, vond mezelf lelijk (om niet te zeggen afschuwelijk, een gedrocht). Mijn ouders begrepen me niet. Want iedereen, de familie, vrienden en zelfs de buren vonden dat ik er aantrekkelijk uitzag. Naar mijn gevoel durfden ze niet eerlijk tegen mij te zijn. Ik voelde me met de dag steeds somberder te voelen. Ik voelde me minderwaardig, onzeker en nutteloos. Ik had zelfs momenten ‘liever dood te willen zijn’.

Een vriendin van mijn moeder gaf mij de naam van het AngstCentrum. Gezien ik van Vlaams Brabant ben, was Limburg niet bij de deur. Ook mijn huisarts ondersteunde dit voorstel. Drie dagen na mijn 21ste verjaardag besloot ik het AngstCentrum te contacteren. Binnen twee weken kon ik al terecht. Ik ben nu 23 en heb besloten te gaan studeren. Ik voel me een anders mens. Ik heb mezelf leren aanvaarden. En mijn neus…! Die mag er zijn!